Verhalen

Wil je jouw persoonlijke verhaal kwijt?

Neem hier contact op.

Mijn verhaal

Over een enorm zandvlak droegen we neefje naar de toestellen. Dat ging nu nog wel maar hij werd al zwaar. De aangepaste wandelwagen bleef aan de graskant staan bij de verhoging. Het was en is dat neefje het enorm gezellig vindt om naar andere kinderen te kijken. Het zou erg prettig zijn dat hij ook mee kon spelen. Er klommen twee oudere kinderen in de mandschommel en wij keken toe. Ome Marco zwaaide zelf nog met zijn hele gewicht heen en weer in een zwaairek en neefje moest er hard om lachen. Maar zelf met zijn benen op zo’n rond ding zitten en zijn handen om het touw vasthouden ging niet. De mandschommel werd alleen gelaten en dus kon neefje er zelf in zitten. Dat was het enige speeltoestel wat voor iemand met een beperking bruikbaar was. De speeltuin staat verder vol met enorme klimtoestellen, houten vormen en schommels. Het was fijn dat hij kon schommelen en kon genieten. Ik keek om me heen. Een nieuwe speeltuin, het zag er prachtig uit, het was vooral in de zomer gezellig met picknicktafels waar ouders aan konden zitten terwijl hun kinderen speelden. Het verbaasde me een beetje dat zo’n nieuwe speeltuin niet ingericht was voor kinderen met een beperking.

Ik kom voor mijn werk nogal vaak in speeltuinen en op kleinere speelplekken. Ook hier begon het me op te vallen dat er weinig tot geen speeltoestellen ingericht zijn voor kinderen met een beperking. Hoe is dit gekozen? vroeg ik me af. Is er een inventarisatie gemaakt zodat men weet hoeveel kinderen met een beperking in de buurt wonen? En hoe besluit je om een nieuwe speelplek onvoldoende in te richten op inclusiviteit, waar zo vaak mee wordt rondgestrooid? En misschien is het niet zichtbaar, maar ja, kinderen met een beperking zitten veelal op speciale scholen ver weg van de buurt waarin ze wonen en komen niet bij de buurtspeelplekken omdát ze niet zijn ingericht op diversiteit en inclusiviteit.

Natuurlijk is deze motivering om er iets mee te doen persoonlijk. Ik had anders waarschijnlijk niet stilgestaan bij deze constatering. Maar mijn neefje is niet de enige die niet zomaar ergens vrij kan spelen. En met mij zullen er meer mensen zijn die misschien nu pas nadenken over wat het precies inhoudt om niet mee te kunnen doen. En dan heb ik het niet eens over bijvoorbeeld fatsoenlijke drempels bij openbare plekken, aangepaste toiletten in openbare plekken, voldoende ruimte in winkels, etcetera. Het zijn dingen die voor veel mensen vanzelfsprekend zijn.

Ik kreeg de vraag of je wel alles moet gaan aanpassen op mensen die in de minderheid zijn. Met ingehouden verontwaardiging is mijn antwoord ja. We leven met elkaar samen in een maatschappij. We doen het met elkaar, leven met elkaar. Uitsluiten vind ik dus niet kunnen. Ook niet als het gaat om speelplekken niet aanpassen omdat de vraag nu eenmaal minder is. Dat is niet een mooie vertegenwoordiging van de stad waarin je leeft. Iedereen hoort erbij, en iedereen mag samen spelen. Het liefst zou ik dit landelijk opbouwen, maar ik begin in mijn eigen stad Den Haag.